Bij de 22e zondag door het jaar A
Er zijn woorden die men niet zomaar spreekt.
Ze komen niet uit het hoofd alleen, maar uit de diepte van het hart.
Zo spreekt Jeremia vandaag:
niet als iemand die alles rustig op een rij heeft,
maar als een mens die worstelt met zijn roeping.
Hij heeft Gods woord gehoord,
maar dat woord maakt zijn leven niet eenvoudiger.
Het brengt hem weerstand, spot en eenzaamheid.
En toch kan hij niet zwijgen.
Er brandt iets in hem dat sterker is dan zijn angst.
Misschien herkennen wij iets van Jeremia.
Ook wij weten soms wat goed is, maar aarzelen om het uit te spreken.
Wij zien onrecht, maar vragen ons af of onze stem wel verschil maakt.
Wij voelen een roeping tot trouw, tot zorg, tot vergeving,
maar tegelijk ook de neiging om ons terug te trekken.
Geloven is niet altijd een heldere weg zonder twijfel.
Soms is geloven juist blijven staan waar het moeilijk wordt.
Soms is het luisteren naar de stem die vanbinnen blijft aandringen:
“Spreek. Blijf liefhebben.”
Jeremia noemt die innerlijke kracht een vuur.
Geen vuur dat vernietigt, maar een vuur dat zuivert,
verwarmt en richting geeft.
Zo spreekt de profeet Jeremia:
“Als ik denk: Ik wil hem niet meer noemen,
niet meer spreken in zijn naam,
dan laait er in mijn hart een vuur op,
dan brandt het in mijn gebeente.
Ik doe moeite om het in bedwang te houden,
maar ik kan het niet.”
Dat vuur brengt ons bij Jezus.
In het evangelie spreekt Hij over de weg van het kruis:
zichzelf verloochenen, het leven durven verliezen om het te vinden.
Dat klinkt zwaar, maar Jezus vraagt niet dat wij het leven minachten.
Hij nodigt ons uit om het niet krampachtig voor onszelf te houden.
Want leven dat gedeeld wordt, wordt niet kleiner; het wordt dieper.
Voelen wij soms nog dat vuur oplaaien in ons hart?
Waar worden wij geroepen om niet weg te kijken,
om niet te zwijgen, om niet alleen voor onszelf te leven?
Misschien is dat vuur soms maar een kleine vlam.
Maar dat kleine vlammetje kan het duister verjagen.
Daarom mogen wij bidden
om het vuur van Jeremia en de liefde van Jezus.
Niet om harder te worden, maar om warmer te leven.
Niet om mensen te veroordelen, maar om trouw te blijven
aan waarheid, gerechtigheid en barmhartigheid.
Wie door Gods liefde wordt aangeraakt,
hoeft niet alles te kunnen dragen,
maar mag wel telkens opnieuw beginnen.
Moge dat laaiende vuur in ons hart blijven branden:
zacht genoeg om te troosten,
sterk genoeg om ons in beweging te brengen,
en helder genoeg om de weg van Christus te volgen.
We eindigen met een stukje poëzie
passend bij de woorden van Jeremia.
Het citaat komt uit de Belijdenissen van de heilige Augustinus.
Pas laat ben ik van u gaan houden,
schoonheid, oud en toch zo nieuw!
Pas laat ben ik van u gaan houden.
Ja, u was binnen in mij en ik buiten en daar zocht ik u.
Onooglijk als ik was,
stortte ik mij op al het mooie dat u geschapen hebt.
U was bij mij, maar ik was niet bij u.
Het hield me van u weg, wat in u bestond
en buiten u niet zou bestaan.
Geroepen hebt u en geschreeuwd,
door mijn doofheid bent u heen gebroken.
Gestraald hebt u, geschitterd, en mijn blindheid verjaagd.
Heerlijk was uw geur,
ik heb hem ingeademd en ik snak naar u.
Ik heb geproefd, en nu honger en dorst ik naar u.
U hebt me aangeraakt
en ik kwam in vuur en vlam te staan voor uw vrede.
Augustinus Belijdenissen, Boek 10 nummer 38
Vert. Wim Sleddens, Damon, Zesde druk 2024