Beproevingen

Gepubliceerd op 22 februari 2026 om 11:30

Bij de eerste zondag in de veertigdagentijd A

 

Laten we met volgende bezinning even stilstaan

bij de beproevingen in de woestijn.

Moet Jezus brood uit stenen toveren?

Moet hij zijn goddelijke almacht aanwenden?

Moet hij tegen de wil van God ingaan en zijn eigen weg volgen?

 

‘En leid ons niet in bekoring’, klonk het vroeger

tijdens het bidden van het Onzevader,

nu klinkt het zo: ‘en breng ons niet in beproeving…’

Er zijn veel vraagtekens te plaatsen bij de keuze van die hertaling.

Een duidelijke keuze voor het woord beproeving is de sterkere verwijzing

naar de beproevingen in de Bijbelse verhalen van o.a. Abraham,

het volk in de woestijn, Job en vooral Jezus die op de proef gesteld wordt

door de duivel en tijdens de avond voor Jezus’ kruisdood.

Zo vaak worden kwetsbare mensen getest op de sterkte van hun geloof.

De smeekbede ‘breng ons niet in beproeving’

is de vraag aan God om ons niet boven onze kracht te beproeven

en in de ultieme beproeving terecht te komen 

waarbij we zijn hand zouden loslaten en het geloof zouden verliezen.

 

Hedendaagse beproevingen zijn bijvoorbeeld

het gevoel hebben nutteloos te zijn en zonder doel te leven,

de zin van het leven te verliezen.

 

Luister maar naar het volgende verhaal

over een missionaris die besloot om iedere dag

een wandeling te maken door de woestijn aan de rand van de stad.

Op zijn eerste wandeling zag hij een man liggen

die met zijn hand het zand van de Sahara streelde

en zijn oor tegen de grond hield.

‘Die is gek,’ zei de missionaris tegen zichzelf.

Maar het tafereel herhaalde zich iedere dag, 

en na een maand besloot hij die vreemde man aan te spreken.

Hij knielde naast hem neer en vroeg: ‘Wat bent u aan het doen?’

‘Ik hou de woestijn gezelschap en ik troost haar,

want ze is eenzaam en huilt.’

‘Ik wist niet dat de woestijn kon huilen.’

‘Ze huilt iedere dag, want haar droom is de mensen van dienst te zijn

door te veranderen in een enorme tuin waar ze bloemen kunnen telen,

graan verbouwen en schapen houden.’

‘Als dat zo is, zeg dan tegen de woestijn

dat ze ons juist heel goed van dienst is,’ merkte de missionaris op.

‘Iedere keer als ik hier loop,

besef ik hoe klein en kwetsbaar de mens in feite is,

haar grootse weidsheid doet me beseffen

hoe wij tegenover het mysterie van het leven in het niets zinken.

Wanneer ik haar zand, al die zandkorrels, zie,

stel ik me de miljarden mensen voor die op deze aarde leven.

Wanneer ik de zon zie opkomen over haar horizon, 

voel ik me dicht bij God en vult mijn hart zich met vreugde.’

De missionaris liet de man alleen 

en keerde terug naar zijn huis voor zijn dagelijkse werk.

Groot was zijn verbazing toen hij de man de volgende ochtend aantrof

op dezelfde plek, in dezelfde houding.

‘Heb je de woestijn doorgegeven wat ik je gisteren heb verteld?’ vroeg hij.

De man knikte. ‘En toch blijft ze huilen?’

‘Ja, ik hoor haar snikken en zuchten.

Nu huilt ze omdat ze duizenden jaren heeft gedacht

dat ze volstrekt nutteloos was, en al die tijd verloren heeft

met godslastering en het vervloeken van haar lot.’

‘Zeg haar dan dat de mens een veel korter leven heeft,

en ook veel van zijn levensdagen doorbrengt

met denken dat hij nutteloos is.

Zelden ontdekt hij de reden van zijn lot,

en vaak vindt hij dat God onrechtvaardig tegenover hem is.

Net als de woestijn verwijt hij zich dat hij zoveel tijd heeft verloren.’

‘Ik weet niet of de woestijn wel luisteren zal,’ zei de man,

‘ze is al zo gewend aan haar verdriet,

en het lukt haar niet meer de dingen op een andere manier te zien.’

‘Dan doen we nu wat ik altijd doe wanneer ik voel

dat mensen geen hoop meer hebben. We gaan bidden.’

De twee mannen knielden en baden tot hun God.

De volgende dag toen de missionaris weer zijn ochtendwandeling maakte,

was de vreemde man er niet meer.

Op de plek waar hij altijd zijn oor tegen het zand hield,

bleek de grond nat te zijn: er was een bron ontstaan.

In de maanden die volgden, werd de bron groter

en de inwoners van de stad kwamen er voortaan water halen.

De bedoeïenen noemden de plaats ‘De put van de tranen van de woestijn’.

Ze zeggen dat iemand die daar het water drinkt

de oorzaak van zijn verdriet kan ombuigen tot reden van zijn vreugde

en ten slotte zijn ware bestemming ziet in de enorme eindeloze horizon.